Formulier wordt verzonden Klik hier om te annuleren
Contact Menu
Facebook Twitter Vrienden van BurenStad.nl Whatsappgroep Signaleringsgroep Buren Contact

Oude huizennamen aan de gevels

Point-Of-Interest - POI31

Tot begin van de 19e eeuw hadden alle huizen in Buren een naam. Een deel van deze namen prijkt weer op de gevels. Pas tijdens de Franse overheersing werden de huizen in de straten voorzien van een huisnummer.

De oude huizennamen zijn:

  • 31.1 Den Hulk – Kniphoek 2
  • 31.2 De Wildeman – Voorstraat 13
  • 31.3 De Valck – Voorstraat 10
  • 31.4 De Fortuyn – Voorstraat 3-5
  • 31.5 De Rose – Voorstraat 1
  • 31.6 Het Gulden Vlies – Markt 2
  • 31.7 De Gulden Leeuw – Peperstraat 4
  • 31.8 De Roode Leeuw – Peperstraat              ?
  • 31.9 De Engel – Peperstraat 12
  • 31.10 Den Elffrib – Peperstraat 17
  • 31.11 Die Swaen en Die Betuwe – Peperstraat 20
  • 31.12 De Drie Coningen – Peperstraat 24
  • 31.13 ’t Vlies of De Prins – Peperstraat 25
  • 31.14 De Bonte Ossche – Weeshuiswal 3
  • 31.15 De Ceyzerscroon --  Herenstraat 10
  • 31.16 De Vergulde Ster – Herenstraat 9
  • 31.17 De Brauwerye – Herenstraat 7
  • 31.18 De Moriaan – Kerkstraat 2
  • 31.19 De Steenenberch – Gasthuisstraat 7

Op een aantal informatiebordjes is te lezen dat de bewoner belasting, cijns of thijns betaalde aan de St. Lambertuskerk, het St. Barbara Gilde van het voorm. Klooster, het Gasthuis en de graaf.

Vanwaar deze belastingen, cijns of thijns ?

De cijns of tyns is een aan onroerend goed gerelateerde jaarlijkse betaling aan de grondheer. Meestal betreft het landbouwpercelen, maar vaak ook andere onroerende zaken, zoals huizen.

Het recht om cijnzen te innen, het zogenaamde cijnsrecht, is een van de heerlijke rechten. Het is ontstaan in de vroege Middeleeuwen.

De woorden cijns en tyns zijn afgeleid van het Latijnse census, schatting van het vermogen. De benaming in documenten kan nogal verschillen, afhankelijk van tijd en plaats schreef men in de Nederlanden cijns, chijns, cens, tyns, tijns, thijns, tins.

De cijns werd aanvankelijk voldaan in natura. Het meest voorkomend was betaling met hoenders, vruchten en granen. Omdat menig lid van de adel zijn bezittingen of een deel ervan schonk aan een kerk of klooster kwamen veel religieuze instellingen in het bezit van het cijnsrecht. Soms bestond de cijns aan kerken en kloosters uit het leveren van was voor het maken van kaarsen voor verlichting.

In de late Middeleeuwen werd betaling in natura gaandeweg vervangen door betaling in geld. Omdat de eenmaal vastgestelde cijns voor een onroerend goed eeuwig en onveranderlijk was, bleef in cijnsboeken en schepenakten de vermelding van in natura gestelde cijnzen onveranderd gehandhaafd, ook al werd de cijns al lang in gefixeerde geldbedragen betaald.

Formeel werd de cijns als heerlijk recht het eerst afgeschaft in Frankrijk. Later volgde de rest van Europa. In de Noordelijke Nederlanden gebeurde dat na de Franse inval van 1795. Met de kanttekening dat de cijns op veel plaatsen de-facto bleef bestaan en werd omgezet naar pacht.

31.1 Den Hulck

De oudste vermelding van dit pand met verdieping en zadeldak is in de jaarrekening over 1602 van de St. Lambertuskerk. Eigenaar was toen meester Evert Segersz. de Cock. In 1608 bleek wachtmeester Beernt van Lier hier te wonen. In 1699 is het verkocht aan meester Icarius Stovenroock, chirurgijn en zijn vrouw Mariken Wagenaar, van beroep vroedvrouw. Na het overlijden van de chirurgijn kwam het pand in bezit van meester timerman Huybert van Laer. In 1744 ging het over in handen van meester timmerman Gerrit Hoefnagel.

De laatste vermelding van een eigenaar in de stadsrekening van 1767 is Rebecca van der Zandt. Vanaf half 18e eeuw, mogelijk eerder, tot 2006 was hier café "De Knip" gevestigd, toen één van de oudste cafés in Nederland.

Een hulck of hulk is een historisch type vrachtschip dat in de Middeleeuwen werd gebruikt voor transport over zee.

31.2 De Wildeman

De oudste vermelding is eind 16e eeuw, bij de betaling van thijns aan de graaf van Buren. Belastingplichtigen zijn dan o.a. pastoor Alert Meynerts, Thijs Jansz. zadelmaker en Peil “die boede”. Na verschillende eigenaren wordt het huis met de twee bijbehorende stallen in 1660 verkocht aan Maria van Asch. In 1818 wordt het pand verkocht aan de gemeenteontvanger van Tiel, Christinus Lambertus Tilanus.

31.3 De Valk

Op 15 januari 1588 betalen Thonis Hendrick Thonisz. en Aert van Swieten hun thijns voor het ‘huys op de hoeck van de Huysepoort van outs genaemt De Valck’ Tot 1620 blijft het eigendom van Aert van Swieten tegen een kerkthijns van 3 gulden,1 stuiver en een oortje. Daarna worden Gerrit Huyberts en Maeyken Jakobsdr. Caron eigenaar. In 1683 wordt het huis verkocht aan burgemeester Dirck Bolle die als thijns de eerdere kerkelijke maar ook grafelijke belasting moet betalen. Een eigenaardigheid is dat rond 1900 het pand een uithangbord had met een zwaan erop dat tot 2010 aan de gevel heeft gehangen. Wanneer de naamsverandering heeft plaatsgevonden is onbekend.

De Foruyn31.4 De Fortuyn

Pand  met verdieping en zadeldak tussen topgevels, de rechter topgevel heeft trappen. Boven de onderpui en onder de daklijst geprofileerde, bakstenen waterlijsten op natuurstenen blokken. Puibalk met opschrift: 

“ Sy mogen my lyden en laeten leven die my benyden en niet leven als ’t God behaegt? Beter benydt dan beklaeght 1633”. 

Hierboven drie gebeeldhouwde koppen, welke later zijn toegevoegd en afkomstig van het voormalige kasteel Buren. Tussen de verdiepingsvensters een gebeeldhouwde en gepolychromeerde wapensteen. 

De oudste vermelding is uit 1613. Willem Gerritsz, timmerman en zijn vrouw verkopen "2 huizen en hofsteden, daer de Fortuyn uythangt” dan aan Lodewijck Schenkei. Het pand komt in 1628 aan Gout. Wellicht is deze de verbouwer van het pand met de schitterende voorgevel. Misschien is het zijn familiewapen dat de gevel siert.   

31.5 De Rose

Pand met verdieping en zadeldak, gevel van vroeg 19e eeuws karakter met een kroonlijst, gedragen door klossen en in het fries triglyphen en metopen.

Rond 1616 woont in “De Rose” de lakenkoopman Marcelis Hoefnagel. Via vererving komt het pand in 1676 in handen van de kinderen van Hendrick Jan Vrancke. Zij verkopen het aan Adraen Cornelis van Maerseveen. Tot 1730 blijft het in handen van deze familie.

31.6 ‘t Gulden Vlies

De oudste vermelding is 1616, het echtpaar Jelis Joosten Maybaers en Anneken Cornelissen betaalden voor het huis ”daer 't Gulden Vlies uythangt" verschillende thijnzen, onder andere bestaande uit zeven hoenders en vijf pond was.

Rombout Cooll gaf het pand in 1623 in onderpand en in 1637 werd bij een transactie ten behoeve van Dirckgen van Wely en haar oom Jan dit huis in onderpand gegeven.

Een jaar later betalen Benjamin de Bruyn en zijn vrouw Dingetien van Calis thijnzen aan Oudaert van Beeck. In 1647 werd Frans van Limmich eigenaar die het vijf jaar later verkocht aan zijn broer Cornelis. De van Limmich’s waren een invloedrijke familie die o.a. burgemeesters ‘leverden’ voor het stadsbestuur.

Het pand is in 1906 opnieuw opgebouwd, met aan de gevel aan de Markt een ornament afkomstig van het voormalige Kasteel Buren.

31.7 De Gulden Leeuw

Uit de kerkrekening van de St. Lambertuskerk blijkt dat in 1602 burgemeester Cornelis van Lauwyck voor het huis waar ‘’De Gulden Leeuw uythangt” belasting betaalt. Daarna wonen er verschillende belastingplichtige personen, zoals mr. Jacob Meeuwensteyn in 1617, Hubert van Asch van 1643 - 1645, Aert Stevens van Eek van 1646 - 1662 en burgemeester Anthonie de Vrede van 1663 - 1668.  In 1664 wordt het pand omschreven als een huis met erf, bouwhuis (hooiberg) en messeplaats (mestplaats).

31.9 De Engel

Verdieping met zadeldak, rechts afgesloten door een puntgevel met vlechtingen en rookkanaal in de as. Oorspronkelijk een geheel met nr 10. De gepleisterde voorgevel heeft een 19e eeuws karakter met een deuromlijsting door verdiepte pilasters met hoofdgestel.

De oudste vermelding is 1605. Egbert Jansz. voerman van Soelen is dan eigenaar.

Vaak is het pand door meerdere personen bewoond, die ieder een bepaald deel belasting moeten betalen. In 1653 wordt het verkocht aan burgemeester Cornelis Vermeulen. In 1755 wordt het pand door de erfgenamen van burgemeester Willem de Leeuw verkocht aan Gerrit Doornenburg

31.10 Den Elffrib

Pand met verdieping, lage zolderverdieping en hoog zadeldak met links een puntgevel, die waarschijnlijk oorspronkelijk trappen heeft bezeten. De voorgevel met kroonlijst heeft een 19e eeuws karakter. Deuromlijsting met consoles onder het hoofdgestel. In de gevel zes gebeeldhouwde leeuwenmaskers uit de 17e eeuw. 

De oudste vermelding is uit 1620, als het pand verkocht wordt aan mr. Jacob Meeuwensteyn door Gerrit Jansz. De huisnaam wordt dan niet vermeld. Dat is pas in 1690 als de diaconie der Hervormde Gemeente, die waarschijnlijk door vererving het eigendom kreeg, het pand “Den Elffrib” verkoopt aan Jacobus van Ray. Zeven jaar later is het eigendom van brouwer Jan van Deventer die het dan verkoopt aan Hendrik Gijsberta van Dam. Tot 1742 blijft het in bezit van deze familie die het in dat jaar verkoopt aan Willem van Koppen.

Voor de naam of woord Elffrib (Elfrib) zijn een aantal verwijzingen.

Elf-rib: een watergeest in de vorm van een hond die in een put of sloot woont en kinderen meeneemt die te dicht bij de sloot of in het donker nog buiten zijn. Het zou de geest zijn van koning Radboud. Blijkbaar werd de Elf-rib in de achttiende eeuw nog geassocieerd met de dansende dood getuige een prent in het Rijksmuseum.

Elfrib: verwijzing naar Bijbelse Adam. Eva geschapen uit een rib van Adam waardoor Adam een van de twaalf ribben miste.

Elffrib: (Halma 1758) misprijzende scheldnaam van vrouwen voor mannen.

Elffrib: in delen van Gelderland vroeger een aanduiding voor een jonge vrouw.

31.11 Die Swaen en Die Betuwe

De oudst gevonden vermelding van dit pand met zadeldak is uit 1605: " De Herberg genaamd Die Swaen”. De naam van de herberg verandert in 1606 in: "daer Die Betuwe uythangt". In 1692 wordt het genoemd: “De Nederbetuwe”.  Tussen 1665 en 1860 is er ook een brouwerij gevestigd. Een vermelding uit 1739 betreft een betaling van drie gulden cijns aan het Gasthuis te Buren door Gerrigjen Hoen.

31.12 De Drie Coningen

Dick Ghijbertsz. werd in 1633 eigenaar van dit pand met het daarbij behorende koolhofje langs de stadsgracht. Rente was men verschuldigd aan het St. Barbara gilde.

Pand op geknikte plattegrond. Breedte vijf vensterassen met middenrisaliet.

In de vensters 6- en 4-ruitsramen. De kroonlijst heeft rechthoekige velden en vensteropeningen.

31.13 ’t Vlies of De Prins

Gepleisterd pand waarvan de gevels een 19e eeuws karakter hebben, maar de muurankers wijzen op een bouwtijd in de 16e eeuw. Verdieping, lage zolderverdieping en omlopend schilddak met rode en blauwe pannen. Deuromlijsting met pilasters en hoofdgestel; in de verdieping vensters met 12-ruits-schuiframen. Stoep met gietijzeren stoeppalen.

De oudste vermelding is uit 1596, het huis "van outs ’t Vlies genaemt doch daer nu de Prins uythangt". In 1696 heet het dan ‘’van outs genaemt ‘t Vlies daer nu Sijne Coninclycke Majt van Groot Brittagne uythangt’’. Nog steeds is in dit pand Hotel-Café-Restaurant "De Prins" gevestigd.

’t Vlies” verwijst naar de ridderorde “Orde van het Guldenvlies”, een belangrijke Bourgondische orde voor de Europese adel. Graaf Floris van Egmont en na hem alle graven van Buren waren dragers van deze orde.

“De Prins” verwijst natuurlijk naar de Burense zoon Philips Willem van Oranje-Nassau, graaf van Buren die in 1595, na een langdurige gevangenschap in Spanje, terugkeert in de Nederlanden.

 “Sijne Coninclycke Majt (majesteit) van Groot Brittagne” verwijst naar stadhouder Willem III van Oranje-Nassau, graaf van Buren welke van 1689 tot 1702 ook koning van Groot Brittannië was. Na 1702 heette het weer “De Prins”.

In het “Regelement voor den Tourwagen van Utrecht, door Cuylenborch en Bueren op Thiel en vice versa” uit het jaar 1776 is te lezen: De voerlieden van deze wagens, zullen te Bueren in de herberg alwaar de Prins uythangt wederom hunne paarden laten drinken.

Vanaf 1816 tot 1946 was ‘De Prins’ in bezit van de familie Beekman, die voerden ook een stalhouderij.

31.14 De Bonte Ossche.

De oudste gevonden vermelding van dit pand is uit 1605. Cornelis Gerritz van der Lingen was toen eigenaar. Tot 1693 bleef het pand in bezit der familie van der Lingen, en werd omschreven als “huis en hofstede, bouwhuis en twee bergen tussen de Vrouwenpoort en de Bagijnensteiger”  In 1693 verkocht burgem. Ewalt van der Lingen het geheel aan Nicolaes van Stuyvenberg.

31.15 De Ceyserscroon

Pand met verdieping en zadeldak tussen puntgevels. Het onderkelderde huis heeft in de voorgevel een deuromlijsting met verdiepte pilasters en hoofdgestel, waarin een eenvoudige, gesneden deur met versierd bovenlicht.

Op het eind van de 16e eeuw was dit pand in bezit van Heindrick Noot en Neel Willemsdr. In 1599 werd door allerlei erfeniskwesties een reeks van namen in de registers vermeld, waarvan de onderlinge relatie niet geheel duidelijk is.

31.16 De Brauwerye

Pand, onderkeldert en met verdieping, gedekt door een zadeldak tussen topgevels. De gepleisterde voorgevel heeft een 19e eeuws karakter met eenvoudige deuromlijsting, stoep met smeedijzeren leuningen en geprofileerde, houten vensteromlijstingen. zesruitsschuiframen in de vensters.

Omstreeks 1585 verkocht Teunis Roeloffsz. dit huis aan Aerdt Fredericksz. van Lauwyck

Rond 1600 was het in bezit van Frans van Riebeeck. In 1611 Is de brouwer Jan Adriaensz. van Deventer eigenaar en blijkt dat het huis tot op de huidige Achterbonenburg doorliep. De Burense schout Andries Schouten was in 1630 eigenaar geworden, tegen betaling van de volgende rechten:  tien  hoendertijnzen, een pond was voor de St. Lambertuskerk en 12 stuivers voor de graaf.

31.17 De Starre, later De Vergulde Ster

Huis met verdieping en zadeldak, evenwijdig aan de straat. De in een steentje 1854 gedateerde lijstgevel heeft een eenvoudige deuromlijsting met pilasters en hoofdgestel, waarin een deur uit de bouwtijd van de gevel en vensters met hardstenen dorpels en zes- en vierruitsramen.

De oudste vermelding dateert van 1608, er werden toen vijf hoenders en een pond was aan thijns betaald door Dirrick Gerritsz. Deze bleek secretaris te Malsen en Tricht te zijn. In 1630 werd buurman Lambert Gerritsz., van beroep brouwer, eigenaar. In 1650 is de naam veranderd in “De Vergulde Ster". Op 9 mei 1694 transporteert het huis aan Hendricus Stovenroock, chirurgijn.

De Moriaan31.18 De Moriaan

Klein, 16e eeuws dwarshuis onder zadeldak met links een puntgevel, waarop een schoorsteen. Links hiervan een lagere voormalige stal met zadeldak.

De oudst gevonden vermelding is 1602, het pand werd toen bewoond door de glazenmaker Dirck Hendrickz van Griethuysen. In het midden van de 17e eeuw woonde hier Sibylle van Griethuysen (1621-1699), in die tijd een bekende schrijfster en dichteres.

Sibylle van Griethuysen (geb. Buren,  1621 – gest. Veenendaal 1699), dichteres. Dochter van Dirck Hendricksz. van Griethuysen, glazenmaker, en Anna van Osch. Sibylle van Griethuysen trouwde (1) op 1-7-1638 in Buren met Upke Harmensz. Wytzema, apotheker; (2) op 16-8-1674 in Veenendaal met Reinier Groenevelt, bierbrouwer. Uit huwelijk (1) werden 2 dochters geboren, van wie 1 jong overleed  

Sibylle (Beliken) van Griethuysen werd in 1621 geboren als negende en jongste kind in het gezin van een doopsgezinde glazenmaker. Aan haar opvoeding moet bijzondere zorg zijn besteed, want uit haar latere werk blijkt dat zij het Latijn, Frans en Spaans beheerste. Op haar zeventiende trouwde ze met de uit Ferwerd afkomstige apotheker Upke Harmenszoon Wytzema, met wie ze aanvankelijk in het Friese Kollum woonde. Vanaf 1644 woonde ze in Appingedam.

Dichtwerk In 1645 publiceerde Sibylle van Griethuysen haar eerste dichtbundel: In rym gestelde claeg-liederen Jeremiae.  Ze schreef zelf het voorwoord, waarin ze – om de kritiek voor te zijn – verantwoording aflegt van haar bemoeienis met godsdienstige zaken: het is slechts een stichtelijk werk voor de jeugd. In de opdracht bedankt ze predikanten en burgemeesters uit haar omgeving voor hun steun. De bundel kwam uit bij Callenbach in het Duitse Emden, iets wat in de noordelijke gewesten niet ongebruikelijk was: meer auteurs in het Noorden lieten hun religieuze werk net buiten de Republiek verschijnen.

Haar tweede bundel, Spreeckende schildery (1646), schreef Sibylle van Griethuysen samen met dominee Sibrandus Francisci Eydelshemius uit Appingedam. Met dit werk over Hooglied 1:4 richtten de auteurs zich tegen schijnheiligheid in de kerk

Uit het opdrachtvers van Sibylle van Griethuysen in Spreeckende schildery blijkt dat de adellijke familie Ripperda uit Farmsum haar de gelegenheid bood haar literaire kennis te vergroten. Ze noemt ook Anna Maria van Schurman, waarmee ze aangeeft dat ze zich bewust is van de uitzonderlijkheid van het vrouwelijk dichterschap. De toonaangevende uitgever van de bundel, Claude Fonteyne uit Leeuwarden, zorgde ervoor dat Van Griethuysen in contact kwam met andere auteurs. Uitgever J.J. Schipper richtte zich in het voorwerk van De bezadigde Roelant (1649) tot haar. Hij roemde haar als een schrijfster die tot groter bekwaamheid is gekomen dan andere dichteressen ook al woonde ze buiten de grote culturele centra van het land.

Dankzij een beperkte correspondentie met Constantijn Huygens kreeg Van Griethuysen buiten Groningen en Friesland meer bekendheid. Dat bracht Hollanders als Hendrik Bruno, Jan Vos, Joan Blasius en Johan Brune ertoe zich tot haar te richten of zelfs drempeldichten van haar in hun werken op te nemen (Lauwerkrans).

Het meest omvangrijke werk van Sibylle van Griethuysen is haar aandeel in de Hemelse troost-borne, dat in 1651 uitkwam. In Hemelse troost-bome is een portret van haar opgenomen met de Spaanse lijfspreuk ‘Yo y el tiempo para dos otros’ (letterlijk: ‘ik en de tijd voor twee andere’): met de tijd aan mijn zijde tel ik voor twee.

In maart 1654 verhuisden Sibylle van Griethuysen en Upke Wytzema naar de stad Groningen. Daar raakte Van Griethuysen bekend met de Groningse dichter Johan van Nyenborgh en zijn kring. Via Van Nyenborgh kwam Van Griethuysen ook in contact met de Friese dichteressen Eelckje van Bouricius en Sibylle van Jongestall

In 1656 richtten ook Hollandse auteurs zich tot Sibylle van Griethuysen. De aanleiding tot die contacten was de publicatie van meerdere van haar gedichten in Klioos kraam, een bundel waarmee noordelijke dichters zich een plaats tussen hun Hollandse collega’s probeerden te veroveren. Van de veertien gedichten van Van Griethuysen in deze bundel is de dichtuitwisseling met Constantijn Huygens uit 1648 het bekendst gebleven.

Vanaf de jaren zestig richtte Sibylle van Griethuysen zich nog zelden tot andere auteurs. Mogelijk verwaterde het contact omdat ze Groningen had verlaten, want zij is na de dood van haar man rond 1662 naar Buren teruggekeerd. Hun huis in de Kromme Elleboogstraat in Groningen werd in ieder geval in april 1662 verkocht en in 1667 bezat Van Griethuysen het ouderlijk huis “ de Moriaan” in de kerkstraat van Buren. Na het overlijden van haar eerste man lijkt ze niet meer te hebben gepubliceerd. Een lofdicht op Joan Blasius’ Fidamants kusjes, minne-wysen en by-rymen aan Celestyne (1663) is het laatste gedicht dat we van haar kennen.

Op 16 augustus 1674 hertrouwde Sibylle van Griethuysen in Veenendaal met de bierbrouwer en invloedrijke weduwnaar Reynier Cornelis Groenevelt. Nadat ze in april 1691 voor de tweede keer weduwe was geworden, verkocht ze in 1693 haar Burense huis. Algemeen wordt aangenomen dat ze in 1699 in Veenendaal overleed en naast haar tweede echtgenoot ‘bij de klokken’ in de Oude of Sint Salvatorkerk werd gegraven.

Reputatie Tijdens haar leven ontbrak het Sibylle van Griethuysen niet aan lof: van zinspelingen op haar naamgenoten uit de klassieke oudheid; Fonteijne maakte het anagram ‘alle breyn is in u gehuyst’ en de overdadigste lof kwam van Eydelshemius, die haar in haar Appingedamse tijd de ‘Damster Sappho’ noemde. Ook via het werk van de Friese schrijver Gysbert Japix verspreidde haar naam zich: ‘Da ’k ’t rijm liez fen dy wijz’ Sibylle: Dy blomm’ in Peerl’ van Grinzerlân!’ (Friesche rymelarye, 1668; in Breuker, It wurk fan Gysbert Japix 1, 83).

Van deze lof van haar tijdgenoten is weinig meer over. Literatuurhistoricus G. Kalff kwalificeerde het werk van Van Griethuysen in 1909 als ‘heeft weinig om ’t lijf’ en ‘veel geleerdheid, geen poëzie’ (Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde 4, 506). Behalve die kritiek is er het oordeel van de tijd: Sibylle van Griethuysen is zo goed als vergeten. Eigenlijk heeft alleen haar contact met Constantijn Huygens haar een plaats in de literatuurgeschiedenis gegeven, ook al heeft recent onderzoek naar schrijfsters en hun netwerken weer belangstelling voor haar persoon en werk gewekt.

31.19 De Steenenberch

De oudste vermelding is uit 1617, het pand werd toen door Willem Cornelisz. Hoppesteyn overgedragen aan Willem Gerritsz. Schepen Johan van Eek en zijn vrouw Odilia Gerritsdr. van Hemert droegen in 1655 het huis over aan schepen Gerardt van der Lingen. In 1695 werd het gecombineerd met het er achter gelegen pand aan de Weeshuiswal en later weer gesplitst. 

BurenStad.nl - Een initiatief van VIP marketing en Muggenberg

Direct naar: Vrienden van BurenStad | Privacy